KIJK MET DE OGEN VAN EEN KIND

Beperk het vestigen van opmerkzaamheid (satipaṭṭhāna) niet tot je dagelijkse meditatiesessie. Laat opmerkzaamheid je hele leven doordringen. Van moment tot moment. Tijdens het zitten. Het lopen. Het eten. Het spreken. Het luisteren. Tijdens de meest gewone handelingen. Wees aanwezig. Aandachtig. Ontvankelijk. Alert. Zonder krampachtigheid. Zonder voortdurend iets te willen bereiken. Kijk met de ogen van een kind. Met de open blik van een beginner. Een debutant. Alsof je de wereld voor het eerst ontmoet. Niet omdat een kind reeds bevrijdend inzicht bezit. Maar omdat een onbevangen blik ruimte schept om te onderzoeken wat gewoonlijk verborgen blijft achter onze gewoonten, verwachtingen en overtuigingen.

Kijk zonder onmiddellijk te benoemen. Zonder alles te beoordelen. Zonder iedere ervaring tot een persoonlijk verhaal te maken. Zie wat verschijnt. Hoor wat klinkt. Ruik wat zich aandient. Proef wat wordt geproefd. Voel wat wordt gevoeld. Herken wat wordt gedacht. De Boeddha gaf Bāhiya een eenvoudige, maar diepgaande instructie. Zie in het geziene slechts het geziene. In het gehoorde slechts het gehoorde. In het gevoelde slechts het gevoelde. In het gekende slechts het gekende. Geen uitnodiging om waarnemingen van hun inhoud te ontdoen. Maar om er niet onmiddellijk een ‘ik’, een ‘mij’ of een ‘mijn’ aan toe te voegen. Om niet telkens opnieuw een waarnemer te construeren die zich de ervaring toe-eigent. Ook gedachten en oordelen mogen verschijnen. Herken ze als gedachten. Als oordelen. Niet als een blijvende waarheid over jezelf of de wereld.

Observeer hoe iedere ervaring afhankelijk van voorwaarden ontstaat. Hoe een geluid verschijnt en verdwijnt. Hoe een gevoel verandert. Hoe een gedachte opkomt en weer oplost. Hoe aangename ervaringen verlangen kunnen oproepen. Hoe onaangename ervaringen weerstand kunnen voeden. Hoe de geest zich vastklampt aan wat niet kan blijven. Zie het vluchtige. Het efemere. Het onstabiele. Zie vergankelijkheid (anicca). Zie de onbevredigendheid van wat wordt vastgegrepen (dukkha). Zie dat geen enkel geconditioneerd verschijnsel als een blijvend, onafhankelijk zelf kan worden beschouwd (anattā). Niet als filosofische overtuiging. Niet als intellectuele conclusie. Maar als rechtstreeks inzicht in de werkelijkheid zoals ze werkelijk is (yathābhūta).

Zie ook de onderlinge afhankelijkheid van verschijnselen. Niets ontstaat zomaar. Niets bestaat onafhankelijk van voorwaarden. Wanneer bepaalde voorwaarden aanwezig zijn, kunnen verschijnselen ontstaan. Wanneer hun voorwaarden ophouden, houden ook de daarvan afhankelijke verschijnselen op. Afhankelijk ontstaan(paṭiccasamuppāda). Niet de gedachte dat alles één is. Niet het bestaan van een verborgen eenheid achter alle verschijnselen. Maar het inzicht dat ontstaan en vergaan afhankelijk zijn van oorzaken en voorwaarden. Zie hoe onwetendheid het proces van dukkha voedt. Hoe begeerte tot vastklampen leidt. Hoe vastklampen het worden (bhava) voedt. En hoe door het ophouden van de oorzaken ook het daarmee verbonden lijden kan ophouden.

Laat opmerkzaamheid daarom niet beperkt blijven tot passieve observatie. Onderzoek. Onderscheid. Begrijp. Ontwikkel wat heilzaam is. Laat los wat onheilzaam is. De vier grondslagen van opmerkzaamheid omvatten het aandachtig beschouwen van lichaam, gevoelens, geest en geestesverschijnselen. Met ijver. Met helder begrip. Met opmerkzaamheid. Vrij van begeerte en afkeer ten aanzien van de wereld. Ze staan niet los van het Edele Achtvoudige Pad. Ze maken er deel van uit. Ethisch handelen. Juiste inspanning. Verzameling van de geest. Wijsheid. Het zijn geen bijkomstigheden. Het zijn voorwaarden voor bevrijdend inzicht.

Wie zo leert kijken, ontwikkelt de voorwaarden om de werkelijkheid steeds helderder te doorzien. Niet door een bijzondere ervaring na te jagen. Niet door een toestand van gedachteloosheid te bereiken. Niet door zichzelf als een stille, onveranderlijke getuige te beschouwen. Maar door te zien dat ook bewustzijn afhankelijk ontstaat. Dat ook de waarnemer geen blijvende kern bezit. Dat wat we voortdurend ‘ik’ en ‘mijn’ noemen, niet kan worden vastgehouden. Hier kan inzicht rijpen. Hier kan de weg naar stroombetreding (sotāpatti) zich ontvouwen. Niet als automatisch resultaat van aandachtige waarneming. Maar door het ontstaan van bevrijdend inzicht, waardoor de eerste drie boeien definitief worden doorbroken.

De Boeddha wees naar het Ongeborene (ajāta). Het Doodloze (amata). Nibbāna. Niet als een bijzondere zintuiglijke ervaring. Niet als een verborgen werkelijkheid die door een onbevangen blik plotseling zichtbaar wordt. Maar als het ongeconditioneerde (asaṅkhata). De uitdoving van begeerte, afkeer en onwetendheid. De beëindiging van dukkha. Daarheen leidt de beoefening. Niet door de geconditioneerde werkelijkheid te ontkennen. Maar door haar zo diepgaand te begrijpen dat het vastklampen eraan tot beëindiging komt.

Kijk daarom met de ogen van een kind. Maar onderzoek met de wijsheid die de Dhamma ontwikkelt. Behoud de openheid van de beginner. Zonder naïviteit. Zonder vooringenomenheid. Zonder de behoefte om iedere ervaring onmiddellijk te bezitten, te verklaren of te beoordelen. Zie ontstaan. Zie vergaan. Zie afhankelijkheid. Zie gehechtheid. Zie hoe dukkha ontstaat. En hoe dukkha kan worden beëindigd.

Zoals de Boeddha onderwees: wie afhankelijk ontstaan ziet, ziet de Dhamma. Wie de Dhamma ziet, ziet afhankelijk ontstaan.

Kijk zelf. Onderzoek zelf. Zie zelf. Niet om de wereld met andere ogen mooier te maken. Maar om haar te zien zoals ze werkelijk is. Yathābhūta.

En door dat inzicht los te laten wat nooit werkelijk van jou was.

Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.