
Een gevorderde yogi vraagt me waarin het Ongeborene verschilt van begrippen als God, Brahman of Līlā. Op het eerste gezicht lijken deze woorden te verwijzen naar iets gelijkaardigs: een oorsprong, een grond of een geheim dat aan de wereld vooraf lijkt te gaan. Maar wanneer we aandachtig en zonder vooroordeel kijken, wordt zichtbaar hoe verschillend hun betekenis werkelijk is.
In de boeddhistische traditie (Udāna 8.3) wordt het Ongeborene (ajāta; id.) omschreven als het Ongewordene (abhūta; id.), het Ongemaakte (akata; akṛta) en het Ongeconditioneerde (asaṅkhata; asaṃskṛta).
Het Ongeborene is geen entiteit, niet iets dat bestaat op de manier waarop verschijnselen bestaan, en niet iets dat als een vorm van zijn kan worden vastgelegd. Het verschijnt niet als vorm (rūpa; id.), niet als gevoel (vedanā; id.), niet als perceptie (saññā; saṃjñā), niet als mentale formaties (saṅkhārā; saṃskārā), en niet als bewustzijn(viññāṇa; vijñāna) dat zich op iets richt. Het laat zich niet aanduiden als een plaats, een ruimte of een aanwezigheid, maar eerder als een openheid die buiten iedere vorm van ontstaan en vergaan valt. In de vroege teksten wordt dit ook aangeduid als acalaṃ sukhaṃ: het onwankelbare geluk, niet als een ervaring die ontstaat, maar als de volledige afwezigheid van dukkha.
Wanneer dit werkelijk wordt ingezien, wordt vanzelf duidelijk waarin het Ongeborene verschilt van God, van Brahman en van Līlā.
Binnen theïstische tradities verwijst God naar een kracht of een aanwezigheid die iets doet: scheppen, leiden, bewaren, liefhebben, oordelen of beschermen. Zelfs wanneer God zeer abstract wordt opgevat, blijft er een spoor van persoonlijkheid, intentie of bedoeling aanwezig.
Het Ongeborene heeft niets van dit alles.
Het schept niet, bestuurt niet, verlangt niet en geeft geen opdrachten. Het is geen wezen dat boven de wereld staat en ook geen verborgen macht die de wereld draagt. Waar God altijd in relatie staat tot de wereld, behoort het Ongeborene niet tot het domein van relaties, omdat iedere relatie deel uitmaakt van het geconditioneerde: van dat wat ontstaat en weer vergaat.
In advaita vedānta wordt Brahman beschreven als het Absolute Bewustzijn (cit), de Ultieme Werkelijkheid, samengevat in sat–cit–ānanda: Zijn – Bewustzijn – Gelukzaligheid. Brahman is de grond van de wereld, de essentie van het Zelf en de levende tegenwoordigheid in alles wat bestaat.
Het Ongeborene wordt in de vroege Dhamma niet beschreven als bewustzijn, ook niet als absoluut bewustzijn. Evenmin wordt het voorgesteld als gelukzaligheid, als een universele aanwezigheid of als de essentie van een zelf (attā; ātman). Het draagt de wereld niet en vormt geen metafysische grondslag van het bestaan. Het behoort eenvoudig niet tot het domein van het ontstane, het gemaakte en het geconditioneerde.
In het hindoeïsme verwijst Līlā naar het kosmische spel: de dans van creativiteit, spontaniteit en voortdurende beweging. Alles verschijnt als uitdrukking van vrijheid (svātantrya; id.). Līlā is dynamiek, ritme en expressie; zij wordt zichtbaar als wereld.
Het Ongeborene daarentegen speelt niet.
Het manifesteert niets en drukt niets uit. Het is geen bron waaruit de wereld voortkomt en geen verborgen werkelijkheid die zich als wereld ontvouwt. Het behoort eenvoudig niet tot het domein waarin ontstaan, verandering en vergaan plaatsvinden.
God beweegt de wereld.
Brahman doordringt de wereld.
Līlā speelt de wereld.
Maar het Ongeborene is geen van deze. Het schept niet, doordringt niet en manifesteert zich niet. Het is het Ongewordene, het Ongemaakte en het Ongeconditioneerde: datgene wat buiten iedere wording blijft.
Juist daarom zegt de Boeddha in de Udāna dat bevrijding mogelijk is. Omdat er het Ongeborene, het Ongewordene, het Ongemaakte en het Ongeconditioneerde is, bestaat er een bevrijding uit het geborene, het gewordene, het gemaakte en het geconditioneerde. De verwijzing naar het Ongeborene is daarom geen uitnodiging tot metafysische speculatie, maar een aanwijzing dat het volledig uitdoven van dukkha mogelijk is.
Misschien is dit de eenvoudigste aanduiding: het Ongeborene laat zich niet verheerlijken, niet vastgrijpen en niet definiëren. Het wordt slechts zichtbaar wanneer alle maken, worden en willen vanzelf uitdoven.
Het is de volkomen afwezigheid van dukkha — niets meer, maar ook niets minder.
