VERTROUWEN DAT DURFT TE ONDERZOEKEN

Vertrouwen (saddhā) en onderzoek (dhammavicaya) lijken soms tegenover elkaar te staan. We vertrouwen iets omdat we het nog niet volledig zelf hebben gezien. We onderzoeken iets omdat we nog niet zeker weten of het werkelijk zo is. Maar in de Dhamma hoeven beide elkaar niet uit te sluiten.

Saddhā — vertrouwen — kan ons ertoe brengen de woorden van de Boeddha ernstig genoeg te nemen om ze zelf te onderzoeken. Niet omdat we vooraf moeten aannemen dat alles waar is. Maar omdat er voldoende vertrouwen is om te kijken.

De Boeddha zegt dat alle geconditioneerde verschijnselen vergankelijk zijn. We kunnen dat geloven. We kunnen eraan twijfelen. We kunnen erover discussiëren. Maar we kunnen ook kijken. Zien.

Verandert het lichaam? Blijven gevoelens hetzelfde? Blijven percepties onveranderd? Blijven gedachten hetzelfde? Ontstaat bewustzijn onafhankelijk van voorwaarden?

Dan krijgt vertrouwen een andere grond. Niet: ‘Dit moet waar zijn omdat de Boeddha het heeft gezegd.’ Maar evenmin: ‘Ik aanvaard alleen wat overeenkomt met wat ik nu al denk.’ Beide kunnen het onderzoek beëindigen voordat het werkelijk begonnen is.

Vrij onderzoek vraagt iets anders. Het vraagt de bereidheid om nauwkeurig te kijken naar wat ontstaat, waarvan het afhankelijk is en wat weer verdwijnt. Daarom hoeft twijfel niet altijd een vijand te zijn. Een vraag kan het begin van onderzoek worden. Maar twijfel kan ook een hindernis worden wanneer zij blijft ronddraaien zonder ooit tot onderzoek, beoefening of inzicht te leiden.

De vraag is daarom niet of we vertrouwen óf twijfelen. De vraag is wat we ermee doen. Leidt vertrouwen tot onderzoek? Leidt twijfel tot nauwkeuriger kijken? Is wat we menen te begrijpen ook werkelijk onderzocht in onze eigen ervaring?

Zo kunnen saddhā en paññā elkaar ondersteunen. Vertrouwen geeft ons de bereidheid om het pad te onderzoeken. Wijsheid ziet steeds duidelijker wat werkelijk het geval is. En wat rechtstreeks is gezien en gekend, hoeft op dat punt niet langer uitsluitend op vertrouwen te berusten.

Daarom vraagt de Dhamma geen blind geloof. Maar evenmin vraagt ze eindeloos scepticisme. Ze vraagt iets veeleisenders: voldoende vertrouwen om te onderzoeken, voldoende openheid om vragen te stellen, en voldoende aandacht om te zien.

Want uiteindelijk is de vraag niet: ‘Geloof ik dit?’ Maar: ‘Kan ik zien waarnaar dit wijst?’

Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.