
In de Anattalakkhaṇa Sutta (Anātmalakṣaṇa Sūtra) toont de Boeddha aan dat geen van de vijf khandha’s een blijvend of onafhankelijk zelf vormt. Anattā (anātman) wijst erop dat alle verschijnselen vergankelijk, afhankelijk ontstaan en niet-substantieel zijn. Hij leert dat alle verschijnselen leeg zijn (suññā; śūnya) van een eigen, onafhankelijk zelf: de niet-substantiële aard van alle fenomenen, van alle dhamma’s (dharma’s).
Anattā verwijst niet naar een verborgen werkelijkheid achter de verschijnselen, maar naar het feit dat in geen enkel verschijnsel een blijvend of onafhankelijk zelf kan worden gevonden. Elk fenomeen ontstaat, bestaat en vergaat slechts dankzij een veelheid van oorzaken en voorwaarden.
Wanneer we deze leegte aandachtig onderzoeken, openbaart zich tegelijk de diepe onderlinge afhankelijkheid van alle dingen. Niets bestaat op zichzelf; alles maakt deel uit van het voortdurende proces van ontstaan en vergaan waarin alle vormen verschijnen, veranderen en verdwijnen.
De dhammānuvattī (dharmānuvartin) die deze werkelijkheid in zichzelf realiseert, ziet de Dhamma. Hij of zij ontwaakt. Hij of zij ziet wat zich werkelijk afspeelt en ervaart de dingen zoals ze zijn. Ontwaken onthult de niet-substantiële aard van alle verschijnselen en maakt duidelijk dat niets losstaat van al het andere.
Het heldere besef en diepe inzicht (sampajañña; saṃprajanya) dat alle fenomenen deze aard van niet-zelf bezitten, doet vanzelf een diep mededogen (karuṇā; karuṇā) ontstaan voor alle wezens en voor alles wat bestaat. Voor alles wat ons omringt. Voor deze grenzeloze openheid waarin alle vormen verschijnen, elkaar beïnvloeden en weer verdwijnen.
Aangezien alle wezens onderworpen zijn aan dezelfde wetmatigheid van ontstaan en vergaan, getuigt het van verregaande arrogantie om iemand te oordelen of te veroordelen, om iemand af te stoten of uit te sluiten.
Karuṇā is in wezen het diepe besef van verbondenheid met al wat leeft. Zij uit zich in het zich onthouden van het veroorzaken van pijn, haat, woede of vijandigheid aan anderen, zoals men ook niet moedwillig één van zijn eigen ledematen zou kwetsen. Zonder mededogen is elke beoefening dor, schraal en uiteindelijk de naam ‘beoefening’ niet waard.
Op boosheid kan men geen beoefening bouwen. Wie bereid is met het hart te kijken, ziet het lijden in al zijn facetten. Bereidheid om met liefdevolle vriendelijkheid (mettā; maitrī) te kijken, betekent ook bereidheid die pijn onder ogen te zien en, waar mogelijk, te helpen lenigen.
In de Mahāyāna-traditie wordt dit mededogen op indrukwekkende wijze verbeeld door Avalokiteśvara, de bodhisattva van het mededogen, die met zijn elf gezichten en duizend armen steeds opnieuw de hand reikt naar allen die lijden.
